Blaasstiften

Kleindochter brengt een nieuw spelletje mee. Een crea-bea-ding van Paw Patrol. Gezellig, denk ik, ik hou wel van wat creatief bezig zijn. “Het zijn blaasstiften,” legt Kleindochter ijverig uit. Er zitten stiften en sjablonen in de doos. Stiften, blazen, inkt en sjablonen: dat wordt een buiendingetje, weet ik heel verstandig meteen.

Kleindochter haalt wit papier en plakband –“Je moet het sjabloon aan de hoekjes vastplakken oma”- en ze legt de blaasstiften op tafel. We kiezen allebei een sjabloon, en gedienstig doet ze het voor. Je moet op die stift blazen en dan sprenkelt de inkt over het sjabloon. Ik stop een stift in mijn mond en blaas, maar er gebeurt niks. “Je doet het aan de verkeerde kant oma!” O.

Ik blaas en zowaar, er komt inkt op mijn sjabloon. Je moet wel behoorlijk hard blazen, en het is verstandig om niet per ongeluk te inhaleren. Na drie keer  heb ik hyperventilatie. Er zijn verschillende kleuren stiften. We wisselen af, voor een kleurrijke creatie, wat betekent dat de blaaskant van de stiften in rap tempo steeds meer gezamenlijk speeksel verzamelt. Deze uitvinding is niet corona-proof, maar hee, wie maalt daar tegenwoordig nog om. Ik zucht de hyperventilatie weg en veeg zo nu en dan een stift droog. Ik ben klaar. Het resultaat is heel mooi. Maar die inkt geeft wel erg af. Ook op je polsen, die je ongemerkt weleens op je sjabloon legt. Ik sta op. “Wat ga je doen oma?” vraag Kleindochter. “Handen wassen,” zeg ik, terwijl ik mijn kleurige pols laat zien. “O, dat hoeft niet hoor,” merkt Kleindochter fijntjes op. “Die stift gaat er toch niet meer vanaf.”

Dus. Hyperventilatie, spuug en inkt die eraf moet slijten: driewerf hoera voor de makers. Heujjj.