Kleindochter en schuttingtaal

Kleindochter kletst ons de oren van het hoofd, en meestal snappen we precies wat ze bedoelt. Meestal, want ze heeft zo haar eigen taaltje. Ze kan nog niet alle letters uitspreken, en daardoor ontstaat soms een vreemdsoortige vorm van communicatie. Zo heeft ze moeite met het uitspreken van de letter t als die aan het begin van een woord staat. Ze maakt van die t een k. En dat geeft héél rare gesprekken. Zo gaat ze naar bed met haar knuffelkonijn en haar tut. Konijn verhaspelt ze handig naar Kijn. Maar ja. Die tut. Die wordt gewoon kut.

En dus roept Kleindochter iedere middag en avond weer opgewekt om kut. Waar ze ook is en wie er ook in haar buurt zijn. Dan kunnen mensen je soms heel raar aankijken.

Takken zijn ook zoiets. Dat je in het bos loopt met een kind op je nek dat enthousiast om de haverklap “Kak en nóg kak!” roept. Ook dan kunnen mensen je soms heel raar aankijken.

Maar dan zijn we er nog niet. Kleindochter zegt ook geen ‘jullie’ maar ‘lullie.’ Dat is nog tot daaraantoe, want het kan nog erger. Je kunt lullie namelijk ook afkorten. Zo herinner ik me een voorval van een van mijn nichtjes, lang geleden, toen nog een dreumes van een paar turven hoog. Op een dag was ze buiten aan het spelen met wat buurtkindjes. Ze sprak die kindjes aan met lullie, maar de kindjes liepen bij haar vandaan en ze moest dus even wat moeite doen om hun aandacht te trekken. Dan is het handig om je vocabulaire zo beknopt mogelijk te houden. Gewoon kort en krachtig. En dus riep dat kleine schattige poppetje met de blonde pijpenkrulletjes loeihard over straat: “Heeee, Lul!!” Daar sta je dan, met je goeie gedrag.

Ik hoop dus maar dat Kleindochter het houdt bij lullie en ons niet en plein public op een dag gewoon aanspreekt met lul. Of in een babywinkel temidden van al die mama’s en verkoopsters ineens heel hard roept: “Kijk oma, veel kutten hier!” Dan sta je toch maar mooi voor …..
Precies.

Eén antwoord op “Kleindochter en schuttingtaal”

Geef een reactie