Piste en ik

Man en ik zijn  een paar daagjes in Willingen, want Man wilde graag nog wat skiën. Uiteraard ga ik dan graag mee, ik zeg geen nee tegen een korte minivakantie nu dat eindelijk kan buiten de schoolvakanties om.

Maar ik ga niet mee die berg op. Toen wij jaren geleden in Tsjechië aan het wintersportavontuur begonnen, namen we eerst wat skilessen. Op enig moment waren we zover dat we geheel zelfstandig van de babyhelling mochten. Dat klinkt heel simpel, zo’n babyhelling. We moesten eerst met een sleeplift de helling op. Dat was al een bezoeking op zich, ik was enorm opgelucht toen ik bovenaan was en gewoon nog leefde. Toen we boven waren mochten we geheel zelfstandig  afdalen. Het was gemeen koud op die heuvel. En het was ook best hoog, zo van bovenaf. En steil. Iedereen uit ons klasje daalde al af naar beneden. Behalve één iemand. Want die kreeg ter plekke op die bult een openbaring voor de rest van haar leven. Die ene iemand wist ineens met absolute zekerheid dat dit niet haar ding was en ook nooit zou worden. Sterker: ik durfde die helling niet af. Mocht het nog zoveel babyhelling heten als het wilde, voor mij was het meer een soort reus. De leraar begon me te wenken en te roepen om naar hem af te dalen. “Nein nein!” riep ik alleen maar. En ik bleef waar ik was. Geen haar op mijn hoofd, dacht ik. Maar dat hield ik voor me, want Kein Haar auf meinen Kopf zou de goeie man vast niet hebben begrepen. 

Man kwam intussen voor de tweede keer met het sleepgeval naar boven en overzag de situatie. Hij besloot achteruit voor me uit te gaan, zodat ik hem kon volgen. Ineens werd die term babyhelling mij ook duidelijk: dat gaat gewoon over grote mensen die als baby’s worden op zo’n helling. Ik was het levende voorbeeld. Het liefst had ik de ski’s en schoenen uitgedaan en was op mijn sokken die helling afgelopen. Maar Man wist me toch naar beneden te loodsen. Maar vond ik het LEUK? Nee. Wilde ik dit graag regelmatig doen? Nee. Ik werd niet blij van de hoogte, van de angst om te vallen of al mijn botten te breken, van het gedoe en vooral niet van de kou. Misschien had het anders uitgepakt als het mooi zonnig weer was geweest. Maar dat was het niet. De wind blies ijzig koud in mijn gezicht en mijn handen en voeten waren bevroren. Eenmaal beneden heb ik het hele skigebeuren voor de rest van mijn leven afgezworen. En dus zit ik nu gezellig in een appartementje met een kop hete thee en een tijdschrift, terwijl Man een hele ochtend op de piste in de weer is. Gelukkig mag hij naar boven in een comfortabele stoeltjeslift met brede zitbanken, dat scheelt. 

We hadden afgesproken dat ik Man naar de piste zou brengen, en hem ook weer op zou halen. Na een hele ochtend skiën belde Man of ik hem wilde ophalen. En hij had meteen een goede ingeving: hij stuurde zijn locatie in whatsapp en dan kon ik zó naar hem toerijden. Mooi, dacht ik. Eitje. Ik ging op weg. De navigatie leidde me zonder problemen richting de juiste piste. Volgzaam deed ik precies wat ie zei. Tot ik bij een afslag kwam, die ik dacht te herkennen als de afslag naar de lift aan het begin van de piste. Maar de navigatie zei dat ik rechtdoor moest. Okee, dacht ik, dan zal Man daar wel ergens staan, op een andere plek. Ergens bovenaan die piste, daar is wellicht ook een parkeerplaats. Weet ik veel. Nee, is het sneue antwoord op die vraag meteen. Ik weet gewoon helemaal niks. Als een kip zonder kop volgde ik mijn navigatie, en dat had ik beter niet kunnen doen. 

Ik reed die smalle weg omhoog, langs huizen aan de linkerkant van de weg. Ik keek terloops naar rechts, en dat was een erg rare gewaarwording. Want daar was de piste. Ik zag de stoeltjeslift op mijn hoogte naar boven gaan. En wat óók vreemd was: ik reed gewoon langs die piste af, regelrecht naar de top. De weg voor me was heel smal, met aan die ene kant huizen, en aan de andere kant een afgrond en die piste. Meine Gute. Ik kreeg het steeds benauwder. En ik zag dat de weg verderop ophield. Ik wilde omkeren, maar dat ging niet. Ik kon alleen maar doorrijden tot ik niet verder kon, er zat niks anders op. Er lag aan twee kanten sneeuw op de weg, waar ik ook al niet in wilde belanden. Ik kwam aan het einde van de weg. Het laatste huis had een kleine parkeerplek, waar al een auto stond. Er kon nog net een auto naast. Ik draaide mijn auto gewoon bij die mensen de plek op, het was de enige optie. En nu moest ik ‘m terugzetten. Het was niet dat ik dat fijn of leuk vond of zo. 

Ik reed heel langzaam een stukje achteruit richting afgrond en stuurde bij om die auto naast me niet te raken. Ik moest vaak steken, terwijl er overal sneeuwhopen lagen waar ik op weg kon schuiven. Dat weggetje was ook zó smal. Maar eindelijk stond mijn auto met de neus weer naar de goeie kant, en ik had geen deuken gemaakt in die geparkeerde auto of in die van ons en was niet in die afgrond gekieperd. 

Met bibberbenen reed ik naar beneden. Daar nam ik de afslag naar de lift. Op de parkeerplaats stond Man me vrolijk op te wachten. Hij had inderdaad zijn locatie doorgegeven terwijl hij bovenaan de piste stond. Yep, heel slim ook. Bijna net zo slim als ik, om die navigatie blindelings te volgen. Maar het állerergste komt nog, toen Man zomaar uit het niks opmerkte: “Waarom zou jij mij trouwens eigenlijk weg moeten brengen?? Ik kon toch net zo goed zelf de auto meenemen??” Aaarghhhhhh. Wat een stelletje domkoppen. Is vast de schuld van die babyhelling, want dáár is het allemaal begonnen. Nee, pistes en ik gaan niet goed samen. Toen niet, nu niet en nooit niet.