Vakantie en ziek

Vorige week was het carnavalsvakantie. Man en ik wilden er graag even tussenuit, maar met de camper was niet echt een optie, omdat het ’s nachts nog koud zou worden en dan gooit de camper helemaal uit zichzelf de watertank leeg. Zodat die niet bevriest. Heel fijn, maar op vakantie met flessen water sjouwen voor elk wissewasje is niet echt handig. En dus besloten we een huisje te huren in de Limburgse heuvels, van maandag tot vrijdag.

Op zondag vroor het nog dat het kraakte. Ons hele gezin stond op de schaatsen, en wij gingen kijken. Want onze schaatsen zijn spoorloos verdwenen, dus wij konden niet het ijs op. Ik vond dat ook niet erg, want ik had barstende hoofdpijn. Ik wilde erg graag weer heel snel naar mijn warme huis. Op maandagochtend pakten we onze spullen in, en ’s middags vertrokken we. Ik had nog steeds hoofdpijn, het voelde als een soort migraine. Ik had dus hoop dat het wel weer over zou gaan.

Op maandagnacht voelde ik me beroerd. Alsof ik koorts had. Ik had zo’n voorhoofdsthermometer meegenomen, maar die bleef steeds maar zeggen dat ik rond de 36,2 had, dus of ik niet zo wou miepen. Op dinsdag leek het iets beter te gaan, dus gingen we op pad. Naar het Drielandenpunt. En omdat we al zó lang nergens meer geweest zijn deden we ook maar alsof het bijna euforisch bijzonder was om in DRIE landen tegelijkertijd te zijn. We maakten een mooie wandeling door het bos, en bij terugkomst moest ik met alle geweld metéén een bak friet met een klodder mayonaise, want ik had ineens honger als een gek. Nee, dat was al niet in orde, besef ik nu ook. Toen we terugreden leek het of mijn hoofd een soort van electrische golven uitzond. Als er boxen op waren aangesloten had ik beslist als radio kunnen fungeren.

Terug in het huisje opnieuw die thermometer erbij, en opnieuw 36,2. Maar zo voelde het niet. “Ik wil naar huis,” meldde ik tussen het tempen door. “En ik denk dat ik me moet laten testen.”

Ik maakte een afspraak voor de volgende ochtend in Maastricht. Dan konden we naar huis zodra we de uitslag hadden. Gelukkig had ik veel paracetamol bij me. De nacht was niet fijn, en die thermometer bleef hardnekkig volhouden dat ik geen koorts had. Waarom voelde ik me dan zo beroerd…?

De volgende ochtend reden we naar Maastricht. We moesten een woud van pijlen volgen en toen we dachten dat we er echt nooit meer zouden arriveren, waren we dan toch op onze bestemming. ‘Hier uitstappen’ meldde een bord. Wát?? Uítstappen?? In Uden konden we in de teststraat gewoon in onze auto blijven zitten. “Ik wil er niet uit,” piepte ik. Want daar, in het hol van de leeuw wemelde het immers van de coronavirussen. “Het is zo gebeurd,” zei Man. Maar ja, die kon gewoon blijven zitten. En die is trouwens ook een stuk minder mieperig dan ik.

Ik stapte uit en liep schoorvoetend de enorme hal in. “Bend-u in contac gewees met coronapatiënten?” vroeg een man in blauw plastic. “Nee,” schudde ik. “Okee, dan mach u daar aansluiten”. Het was gelukkig niet druk. Er stonden maar drie mensen voor me. Je zag de testlocatie, en het viel me op dat ze allemaal alleen maar een stok in hun neus kregen, niet in de keel. Raar, dacht ik. Ik was aan de beurt. Of ik wilde staan of zitten. Nou, staan leek me beter. Dan kon ik altijd nog heel snel wegrennen. Er werd alleen getest in de neus, omdat we dus niet in contac gewees waren met coronapatiënten, zei de man in plastic. Dat zal de Limburgse aanpak wel zijn. Het deed zeer. Maar echt. Die stok ging steeds dieper en het begon steeds meer te prikken. Héél veel naarder dan toen bij die vriendelijke mevrouw in Uden. Ik trok in een reflex mijn hoofd terug. Toen begon de man te TELLEN. En hij begon bij één. Dat vond ik niet slim. Want hoe wist ik nou hoe lang hij doorging? Tot drie? Tot vijf? Tot honderd? Tel dan terug, dacht ik benauwd, dan heb ik tenminste een ijkpunt. Tenzij hij na de nul nog vrolijk door zouden gaan in de min, maar daar ging ik niet vanuit. Eindelijk ging de stok eruit. “Binnen twee uur de uitslag,” zei de man. Huh??? Maar ik vluchtte het gebouw al uit. Mijn neus heeft nog een paar uur zeer gedaan.

Binnen een uur had ik de uitslag. Negatief. En nog steeds beroerd. We pakten onze spullen in, meldden de eigenaar van het huisje dat we naar huis gingen – nee, géén corona- en we vertrokken. Thuis nam ik de temperatuur op met een gewone thermometer. Ik had verhoging. Met dat voorhoofdsding had ik zo het vliegtuig in gemogen, met koorts en al, bedacht ik verontwaardigd. Ik installeerde me onder een dekentje op de bank. En bleef daar nog een flink aantal dagen liggen.

Want het schoot niet zo op. Op maandag, 9 dagen nadat het begon, belde ik naar de huisarts. Die zou op dinsdag terugbellen. Want zieke patiënten mogen niet in de wachtkamer. Op dinsdag belde de goeie man inderdaad terug. Ik zei dat ik graag even naar mijn longen wilde laten luisteren, maar ja, dat is een beetje lastig door de telefoon. Ik mocht over een uurtje langskomen. Ik moest buiten wachten, hij zou me dan bellen en dan mocht ik via de achteruitgang naar binnen, terwijl hij zich in een beschermingspak kon hijsen.

Als een dief in de nacht sloop ik het parkeerterrein op. Ik voelde me een crimineel, een paria, een zwaar besmet iemand bij wie je vér uit de buurt moest blijven. Mijn telefoon ging. De arts maakte de deur open en ik mocht zowaar naar binnen. Hij luisterde op zoveel mogelijk afstand naar mijn longen (ik denk dat ze binnenkort wel stethoscopen gaan uitvinden met héél lange bekabeling), en ik kreeg een vingerprik om de ontstekingswaarden te bepalen.

Alles was gewoon in orde. Die verhoging zorgde voor de te snelle hartslag, het was gewoon een virus. Ik snap niet hoe dat kan. Ik heb de griepprik gehad, kom nergens, en in de supermarkt draag ik een mondkapje en ik ontsmet honderd keer per dag mijn handen. “Maar het duurt al zo lang,” zei ik. “Dat vinden wij niet hoor,” meldde de arts opgewekt. Het moet dus vanzelf weer beter worden. Met hulp van paracetamol. Vandaag heb ik een klein stukje gewandeld en wat buiten gezeten. Ik hoop snel weer boven Jan te zijn. Die voorhoofdsthermometer kijk ik mooi niet meer aan. En ik denk zomaar dat dat wederzijds is. Want je kunt echt best boos worden op een thermometer. Serieus.

Geef een reactie