Pinpas

Ik fiets naar Heesch om boodschappen te doen. In de supermarkt scharrel ik mijn boodschappen bij elkaar, en dan op naar de kassa.

Ik heb van thuis uit maar één pinpas meegenomen. Lekker handig, dacht ik. Geen portemonnee, geen gehannes. Gewoon één klein pasje in mijn broekzak. Het is een pasje van onze gezamenlijke rekening. Daar hebben Man en ik allebei een pasje van. Maar tegenwoordig krijg ik heel vaak het pasje van Man in mijn handen gedrukt, als ik ergens iets wil betalen en mijn eigen portemonnee niet bij me heb. Man betaalt trouwens ook gewoon met zijn telefoon, maar ik ben altijd maar bang dat dat bij mij dan weer niet werkt, zul je altijd zien. En dus ben ik daar nog maar niet aan begonnen.

Afijn, die kassa dus. Met die pas. In mijn hoofd dreun ik maar vast de pincode op: we hebben voor die code van Man een heel handig ezelsbruggetje bedacht. Zelfverzekerd scan ik het pasje dus langs het apparaat. Die de code vraagt. Meestal raak ik dan al half in paniek (welk van die vier pasjes heb ik nu gebruikt, en wat is daar de pincode ook alweer van…??). Maar in dit geval is er geen twijfel, want dat handige ezelsbruggetje. Ik tik de code in. FOUT, zegt het apparaat. Ik begrijp er niks van. Heb ik een verkeerd cijfer ingetoetst? Ik ben absoluut zeker van die code. Ik doe een tweede poging. En weer FOUT. De kassamevrouw kijkt me een beetje meewarig aan. Klanten aan de kassa doen of ze niks zien. Om mij niet in verlegenheid te brengen, denk ik. Wellicht denken ze dat mijn geld op is. Of dat ik dement ben. Allebei die gedachtes beuren me niet echt op.

Twee pogingen gedaan, nog één poging en de pas zal geblokkeerd worden. “Ik ga even naar mijn fiets,” zeg ik dapper. “Mijn man bellen. Want ik snap er niks van.” Mijn tassen worden opzij geschoven en ik marcheer naar buiten. Maar terwijl ik dat doe valt ineens het kwartje. Ik heb gewoon mijn eigen pas! Ik was in de veronderstelling dat ik de pas van Man had, maar het is wel dezelfde rekening, maar niet zijn pas. Pfffffff. Nu begrijp ik gelukkig waar de fout zit. Maar nu. Want ineens begin ik te twijfelen aan die andere drie codes. Welke code hoort bij dit pasje? Ik heb de gok uit twee, want die derde hoort bij mijn bankrekening, en deze zijn van de ING. Om het allemaal nog wat gemakkelijker te maken, djezus.

Ik ga terug naar de kassa. “Ik weet het al,” probeer ik opgewekt te doen. “Maar ik heb nog maar één poging en twijfel een ietsiepietsie klein beetje tussen twee.” Ik doe een schietgebedje en voer de code in. FOUT. Als laatste optie tik ik de andere code in. Maar nu doet ie het dus niet meer. Sta ik dan. Met die tassen. En geen geld. “Wil je de boodschappen nog?” vraagt de kassamevrouw. Ja natuurlijk, wil ik gillen. Alsof ik dit gesukkel allemaal voor mijn plezier sta te doen. Ik voel me alsof er met grote letters Heel Erg Dom op mijn voorhoofd staat geschreven. “Ik ga naar huis en dan kom ik terug, laat ze hier maar staan,” zeg ik. En ik sjees de winkel uit. Met klotsende oksels en een veel te hoge hartslag.

Thuis check ik mijn portemonnee op contant geld (neeeee, even niks niet met een pasje betalen). Intussen vraag ik me af hoe slim het is om vier pincodes te moeten onthouden. Heel Erg Dom, is mijn conclusie. We moeten toch maar eens kijken hoe we dat anders kunnen regelen. Minder verschillende rekeningen bijvoorbeeld. Of ik moet gewoon op de achterkant van elk pasje de code schrijven. Wat een goed idee! Hoe geruststellend is dat!

Maar wellicht is ook dat weer Heel Erg Dom.